De Gemeenschapsminister stelde in zijn richtlijnen “dat het jaarverslag in de eerste plaats voor de beleidsverantwoordelijken zelf van de gemeenten, zowel verkozenen als leidend personeel, een hulpmiddel moet zijn om inzicht te verwerven in het slagen en falen van de gemeentelijke werking in het verleden en er lering uit te trekken voor hun beheer van het lokale algemene belang in de toekomst. Door de gelijke structuur van het jaarverslag in alle Vlaamse Gemeenten kunnen zij verantwoorde vergelijkingen maken met de toestand in andere gemeenten.
Voor de gemeentelijke beleidsverantwoordelijken wordt zo het jaarverslag naast de begroting, de rekening en het meerjarig beleidsplan een belangrijk beleidsdocument waardoor de eenjarigheid van de begroting en rekening doorbroken wordt en het gemeentelijk beheer in een ruimer tijdsperspectief wordt geplaatst. Het jaarverslag wordt een instrument van de gemeentelijke zelfstandigheid en zelfredzaamheid.”
In de tweede plaats moet het jaarverslag, volgens de Gemeenschapsminister een informatiebron zijn die ter beschikking wordt gesteld van de bevolking en geïnteresseerde derden, de openbaarheid van bestuur ten bate.
En in de derde plaats pas dient het jaarverslag voor de uitoefening van het administratief toezicht door de toezichthoudende overheid en voor het vervullen van haar taak van adviserend orgaan ten aanzien van de lokale besturen.