Naar inhoud

Waar

Spotnamen Erpe-Merenaren

Door jongelui die al dan niet in opdracht hun eerste stappen zetten in de studie van de lokale geschiedenis wordt dikwijls informatie gezocht over de spotnamen die worden gegeven aan de inwoners van de diverse dorpen van Erpe-Mere. Onze rubriek lokale historiek hebben wij, met dank aan de auteur, uitgebreid met een artikel dat Dirk De Boeck over dit onderwerp bracht in "Mededelingen van de Heemkundige Kring van Erpe-Mere" JG 34 Nr. 2 (april 1994).

Het is reeds dertig jaar geleden dat in dit tijdschrift een artikel werd opgenomen over de Meerse scheldnamen1.  Af en toe wordt ons de vraag gesteld wat er aan bijnamen of spotnamen bestaat voor de inwoners van de andere deelgemeenten van Erpe-Mere.  Beeldhouwer Herman De Somer, die de idee heeft opgevat om de Erpe-Merenaren van de 8 deelgemeenten met hun spotnaam uit te beelden, heeft er ons uiteindelijk toe aangezet om een aantal gegevens samen te sprokkelen. 

Over het onderwerp “spotnamen” zijn in de literatuur nogal wat bijdragen te vinden. Zo zijn er ons uit de periode 1890-1950 enkele uitvoerige studies en lijsten bekend.  We vermelden er hier vijf in chronologische volgorde:

  • A. GITEE, Steden en dorpen tegen elkander, in tijdschrift Volkskunde, Jg. V, 1892.
  • J. TH. DE RAADT, Les sobriquets des communes belges (blason populaire), Brussel, 1904.
  • F. VAN ES, Lijst der reeds aangeteekende en verzamelde Bij- en Spotnamen van Oostvlaamsche Gemeenten, in tijdschrift Oostvlaamse Zanten, artikelenreeks vanaf Jg. II, 1927.
  • J. CORNELISSEN, Nederlandse Volkshumor op stad en dorp, land en volk (6 dln), Antwerpen, 1929.
  • K.C. PEETERS, Eigen Aard, Antwerpen, 1946.

Het spreekt vanzelf dat die auteurs de lijsten geraadpleegd hebben die reeds bestonden, maar ze hebben ze ook telkens aangevuld of verbeterd aan de hand van eigen onderzoek.  Dergelijk studiewerk steunde dikwijls op losse gegevens van lokale medewerkers of “correspondenten”.

Hoe een spotnaam ontstaat en een min of meer algemene bekendheid verwerft is vrijwel nooit met een zekerheid te achterhalen.  We hebben wel gepoogd om voor de spotnamen van de Erpe-Merenaren de oudste vermeldingen op te sporen.  Daarnaast hebben we ons afgevraagd: is er een verklaring voorhanden, eventueel steunend op een volkse overlevering ?  Zijn de spotnamen onder de bewoners goed of niet bekend ?  Zijn er nog andere die in de vermelde lijsten niet zijn opgenomen ?


De Aaigemmenaren worden soms “de Aaigemse boeren” genoemd. In het “Zuid-Oostvlaanders Idioticon”van Isidoor Teirlinck, waarvan het laatste deel in 1922 verscheen, wordt wel vermeld “d’Aaigemsche boeren”, maar de auteur had o.i. enkel de bedoeling om met een voorbeeld het bijvoeglijk naamwoord van “Aigem” te verduidelijken. Hij specificeerde in elk geval niet dat het hier om een spotnaam zou gaan (hetgeen hij voor andere gemeenten wel deed).

Fernand VAN ES (art.cit. JgVIII, 1933, p.117) geeft wel een spotnaam: “vrekkig Aaigem” en hij vermeldt erbij dat die naam “uit de volksmond” te Burst werd genoteerd.  Daar beweerde men dat in Aaigem “beestig volk” woonde.

Beestig wordt hier gebruikt in de betekenis van gierig.

In Aaigem zelf kon nog de uitdrukking “die van Eigem zijn van ‘ougem” opgetekend worden, die men moet lezen als “in Aaigem wordt alles voor zichzelf gehouden” 2.

De spotnaam is evenwel niet algemeen bekend.


De Bambruggenaren worden volgens Jules COLEN “geitenmelkers” genoemd 3.

De verklaring is wellicht te vinden in de grote belangstelling voor de geitenkweek, die in het bijzonder tot uiting kwam in de stichting van een “geitenkweeksyndikaat” in 1911. De spotnaam werd door hem uit de volksmond opgetekend en is bij de oudere bevolking nog bekend.


De inwoners van Burst zijn volgens F.VAN ES (art.cit.JgVII,1932,p.34) “stro-zekers”. Hij schreef het er halffonetisch bij (“stroeizjikers”) vermoedelijk zoals zijn informant (de heer De Coker uit Sint-Lievens-Esse) het hem had meegedeeld. Voor zover we konden nagaan is die spotnaam in Burst of omgeving niet algemeen bekend.
Voor Erondegem hebben we in de literatuur geen gegevens aangetroffen.

Toch bestaat er een spotnaam en wel “de plekkers”4.  Plekker wordt hier gebruikt in de betekenis van iemand die dikwijls op krediet koopt, of zoals men het zegt: de baas of de bazin kan de tegoeden “op de spiegel schrijven”.

In Erpe heb ik zelf nog, als variant op het goed bekende “Huuëveirdig Lee, Hofstauë doe’mee…”, gehoord: “huuëveirdig Lee, Erondegem doe’mee”.

Die uitdrukking is evenwel niet algemeen bekend.

Herman De Somer heeft in zijn reeks van spotfiguren de Erondegemmenaren getypeerd als “kruisdieven”.  Wordt hier met een knipoog verwezen naar de mysterieuze verdwijning van een kalvariekruis ?


De Erpenaren worden bij A. GITTEE (art.cit.p.133) “de dieven” genoemd. Na hem hebben al de auteurs die in de inleiding werden vermeld die allesbehalve fraaie spotnaam overgenomen.

J. Cornelissen gist op volgende wijze naar de oorsprong ervan: “waarschijnlijk ter oorzake van enige diefstallen, te Aalst of in de omliggende dorpen door lieden van Erpe gepleegd, hebben de inwoners van die gemeente, pars pro toto, dien lelijken naam gekregen”. In het boek “Eigen Aard” van K.C. Peeters is een kaart opgenomen met spotfiguren.  Op die kaart zijn voor de Erpe-Mere enkel de Erpenaren getekend en wel … als dieven.

Als geboren Erpenaar mag ik het genoegen getuigen dat die spotnaam in de streek niet (meer) bekend is, alhoewel… volgend versje dat in Erondegem werd opgetekend5 verwijst er nog naar:

Lee zonder pracht
Eirp zonder dieven
Eerdegem zonder hoeren
... ten goeët de weiëreld vergoeën.

Veel beter bekend is anderzijds de bijnaam “palokeneters”.  In een lijst met “aanvullingen” die bij J.Cornelissen (o.c. deel IV) is afgedrukt, komt die spotnaam voor het eerst voor.  In een “Schets van de Geschiedenis der gemeente Erpe” die ter gelegenheid van een Vlaamse kermis in 1930 werd gedrukt - en waarvan Benoit Bosman vermoedelijk de auteur was - wordt de oorsprong van de naam uitgelegd.  Het verhaal vertoont veel gelijkenis met dat van de Meerse papeters: “…Mag hier bijgevoegd als folkloristische bezonderheid dat men de inwoners paloken-eters noemt, sedert ze in

’t bolspel eens den 1e prijs, namelijk een mand paloken (klein half wilde pruim) thuishaalden”.

Het woord “paloke” wordt niet veel gebruikt, maar is in ons taalgebied toch al verscheidene eeuwen bekend.  In het befaamde woordenboek van C. Kiliaan (Etymologicum Teutonicae Linguae, 1599) komt het al voor in de vorm “palleken” met als bijkomende verklaring “sleepruymken”6.

Of de Spotnaam “paloken-eters” in 1929-1930 reeds goed bekend was weten wij niet maar het lijdt weinig twijfel dat de uitgave van de brochure met de geschiedenis van Erpe veel zal bijgedragen hebben tot de verspreiding ervan.  Ook is het opvallend dat reeds enkele jaren nadien de spotnaam verkort is tot “de palokens”7.  Ook nu nog is de spotnaam van de Erpenaren vrij goed bekend maar “paloken-eters” en “palokens” worden door mekaar gebruikt.

J.De Vuyst besprak in zijn reeds vermelde artikel drie scheldnamen voor Mere en de Merenaren: Mere-rot; de pap-boeren of pap-eters; de vechters.  De uitdrukking “Mere-rot”, die uit de volksmond verdwenen is, bestond al meer dan 150 jaar geleden. We troffen hem toevallig aan in een verslag over een tyfus-epidemie in het jaar 18418.  J.Mareska, lid van de provinciale medische commissie, die de toestand ter plaatse kwam onderzoeken, beschreef o.m. de onhygiënische toestand waarin sommige inwoners van Mere leefden, in laaggelegen en vochtige plaatsen met gebrek aan verluchting, ongezonde voeding zonder enige variatie enz.  Men vertelde hem in Mere dat de klierziekte er frequent voorkwam.  Die ziekte had vrijwel de volledige bevolking besmet van enkele dorpen in onze omgeving.  In Mere had ze aanleiding gegeven tot een bijnaam: “pourri (Rot-Meire, Marais-Pourri)”.

De meest gebruikte spotnaam van de Merenaren is ongetwijfeld “de papeters”, of soms met als variante: de papboeren.  Alle vermelde auteurs hebben die naam in hun lijst opgenomen.  De oudste vermelding in de literatuur dateert dus, voor zover ons bekend, uit 1892. 

J. DE RAADT (o.c., 1904) vermeldde er uitdrukkelijk bij dat die pap van de Merenaren rijstpap is. 

Het volkse verhaal over het ontstaan van de bijnaam vinden we meteen al bij die oudste vermelding uit 1892 (Aug. GITTEE, art.cit.,p.132).  Die versie luidt als volgt: “op een kermis in de omstreken was er voor eenige jaren eens een kampstrijd met den krulbol, en ’s avonds zou ter eere der winnaars een goed souper aangerecht worden.  De boeren van Meire weerden zich dapper en behaalden den prijs.  Zij hadden (de kwaadsprekerij komt ja achter alles) den helen dag gevast om hunnen buik eens een zielmis te doen. Doch, wat zetten ze groote oogen op, toen men voor eerste gerecht een grooten schotel  pap opdiende ! De boeren lieten ze onaangeroerd, en de gastheeren, hierover verstoord, lieten hun voor tweede, en derde en vierde gerecht denzelfden schotel aanbieden, tot dat de boeren zoo’n honger kregen, dat ze uiteindelijk blij waren de pap te kunnen binnenspelen.  En zoo werden het te Meire Papboeren”.

Dat verhaal werd meermaals, met kleine verschillen, gepubliceerd (o.m. bij F. De Potter en J. Broeckaert in hun “Geschiedenis van de gemeenten der provincie Oost–Vlaanderen”, waarvan het deel met de gemeente Mere in 1900 verscheen).

Kunnen we met het lied van de “Meirsche Pap” nog enkele jaren teruggaan in de geschiedenis?

J. De Vuyst heeft aangetoond dat Frans Van Vaerenbergh (+1890) die vroeger als auteur van het lied werd aangeduid, hooguit het refrein (De Meerse pap en is niet slap… …) kan geschreven hebben9.

In zoverre dat refrein inderdaad van zijn hand is, moet de bijnaam papeters zeker van vóór 1890 bestaan.

De bijnaam “de vechters” komst het eerst voor bij J. DE RAADT (o.c. p.96) die vermeldt dat die naam uit de volksmond werd opgetekend.  Hij is evenwel volledig in onbruik gemaakt.


Voor de inwoners van Ottergem en Vlekkem hebben we in de literatuur geen gegevens aangetroffen.  Toch ontsnappen ook zij niet aan de volkse spot. 

Van de Ottergemnaren wordt gezegd dat ze met een wetboek onder de arm lopen.  Ze willen blijkbaar hun rechten (vooral inzake eigendommen ?) tot het laatste duimbreed verdedigen.  We mogen ze dan ook de wetgeleerden of de advokaten van Ottergem noemen10.

De Vlekkemmenaren heeft Herman De Somer uitgebeeld als de “zop-eters”. Sop (in het dialect:zop) is een vloeibare pap. Omer Janssens verklapte ons het Vlekkemse recept: sneden boerenbrood worden met een beetje zout bestrooid; heet water erover gieten; vlug afgieten; nadien het brood opdienen met koude melk.  Vooral in de zomer werd het gegeerd als een koele pap.  Herman woont al jarenlang in Vlekkem - hij was er trouwens burgemeester - zodat we geen reden hebben om zijn typering van de inwoners van Vlekkem in twijfel te trekken.


Samenvattend kunnen we stellen dat de spotnamen van de Erpe-Merenaren niet gesteund zijn op historische feiten noch afgeleid van kenmerkende activiteiten of beroepen, met uitzondering wel van die van de Bambruggenaren die verwijst naar de geitenkweek aldaar.  De overige spotnamen behoren typologisch tot die welke A. GITTEE omschrijft als “namen, welke steunen op werkelijk bestaande of willekeurig toegedichte eigenschappen … op een lokaal feit, thans vergeten, dat echter de buurman veel pret verschafte, genoeg om de bijnaam te doen ontstaan en voortleven… Dergelijke namen schept de spottende volksgeest nog op onze tijd…; ze ontsnappen dikwijls aan elk onderzoek.”

Zetten we de Erpe-Merenaren nog eens op een rijtje, dan zien we een bont gezelschap van pap-, zop-, en palokeneters, vrekkige boeren, geitenmelkers, plekkers, strozekers en advokaten. Herman maakt er vast een overgetelijke groepsfoto van !

Dirk De Boeck


  1. J. DE VUYST, Onze Meersche scheldnamen, Jg IV (1964), pp.21-22
    A.D’HOKER, De Meersche pap, Ibid., p.22.
  2. Inlichting Gerrit Liessens, Aaigem.
  3. J.COLEN, Bijdrage tot de geschiedenis van Bambrugge, Erpe-Mere, 1984, p.176.
  4. Inlichtingen Etienne De Wint, Erondegem.
  5. Versje over Lede, Erpe en Erondegem, opgetekend door Etienne De Wint, Erondegem.
  6. Maarten Van Nierop heeft op 4.11.1977 in zijn taaltuin van De Standaard-Het Nieuwsblad een interessante bijdrage gewijd aan de betekenis van het woord paloke.
  7. De Erpenaren worden “palokens” genoemd in een artikel van “De Liberaal” van 22.9.1935.
  8. J. MARESKA, Rapport au président de la Commission Médicale de la Flandre Orientale sur une épidémie de fièvres thyphoïdes à Meire, Erpe et communes environnantes, 1841.
  9. J. DE VUYST, Marktzangersliederen uit Erpe-Mere, uitg. heemk. kring, 1984, p.147.
  10. De spotnaam werd mij ook bevestigd door Jules Colen uit Bambrugge.